Met moraalpolitiek kan links weer een brede volksbeweging worden
Links zette als vanouds in op herverdeling. Maar het is de vraag of ze met een klassenstrijd de harten van ‘onzekere werkenden’ nog kan stelen. Leuzen als ‘het minimumloon omhoog’ raken mensen niet meer in het hart, schreef Floris Burgers in De Groene Amsterdammer van 16 november 2024.
De avond voor de algemene politieke beschouwingen benadrukte Frans Timmermans aan tafel bij Eva Jinek dat hij zich niet meer wil blindstaren op de migratievuurpijlen van Geert Wilders. Die pijlen zouden afleiden van het feit dat dit kabinet er vooral voor de economische elite is: ‘Miljarden naar het bedrijfsleven, veel minder naar mensen die het hard nodig hebben’. Een dag later deelde Jimmy Dijk die kritiek. ‘Dit kabinet luistert liever naar het grote geld en de economische elite, dan dat het luistert naar mensen’, sprak de SP-voorman, waarna hij een reeks bezuinigingen uit het regeerprogramma opsomde die vooral de onderklasse het hardst raken. Gestoeld op politicologisch advies om het debat weer over economische ongelijkheid te laten gaan, zette links als vanouds in op herverdeling.
Dat het tijdens de algemene beschouwingen toch weer over migratie ging, en niet over de economie, was het gevolg van de voorgestelde noodwet. Ook links moest daar wel op reageren. Het eigen verhaal kwam daardoor voor de zoveelste keer in de verdrukking. Toch is het maar zeer de vraag of links met een traditioneel herverdelingsverhaal de stem van mensen met een laag en onzeker inkomen – de ‘onzekere werkenden’ volgens het Sociaal Cultureel Planbureau – gaat veroveren. Er is namelijk veel veranderd sinds de tijd dat links met een klassenstrijd de harten van deze groep wist te stelen. Economische ongelijkheid is voor hen nog altijd een probleem, maar daar is een gebrek aan eigenwaarde bij gekomen. En hoewel meer loon ook meer waardering betekent, biedt herverdelingsretoriek an sich weinig om trots op te zijn. Leuzen als ‘het minimumloon omhoog’ raken mensen niet meer in het hart.
Het gebrek aan waardering dat de werkende onderklasse vandaag de dag ervaart heeft alles te maken met de opkomst van de meritocratie, leren we van filosofen als Michael Sandel en Alain de Botton. In zijn inmiddels fameuze Status Anxiety (2011) legt laatstgenoemde het allemaal haarfijn uit. De laagbetaalde werkenden van de twintigste eeuw wisten, volgens de Botton, dat ze hun sociale positie niet aan zichzelf te wijten hadden, maar aan een aristocratische loterij die hen toevallig een ongelukkig lot had opgeleverd. Ze werkten lange dagen onder erbarmelijke omstandigheden, maar hadden geen reden om aan hun eigenwaarde te twijfelen. Noeste arbeid en een sober bestaan sloten destijds bovendien goed aan bij de door God voorgeschreven levensstijl, wat betekende dat de werkende klasse in essentie een waardiger leven leidde dan de elite.
Dat veranderde toen een aristocratische standenmaatschappij in de loop van de twintigste eeuw plaats maakte voor de hedendaagse meritocratie. In een maatschappij waarin niet afkomst maar verdiensten bepalen tot welke klasse je behoort, wordt immers verondersteld dat iedereen met inzet en talent sociaal kan klimmen. Mensen die daar niet in slagen zijn dan bij implicatie niet talentvol of lui en hebben hun sociale positie aan zichzelf te wijten. Volgens de Botton zorgde secularisering er ondertussen voor dat een sober leven niet langer als moreel superieur werd gezien; in de context van de meritocratie werd soberheid eerder een teken van gebrek aan talent en inzet. Meer recent heeft de onderklasse daardoor niet alleen last van economische tekorten, maar leidt het ook onder een gebrek aan eigenwaarde.
Dat dit probleem in Nederland niet valt te onderschatten, blijkt onder meer uit recente boeken van klassenmigranten als Cody Hochstenbach (In schaamte kun je niet wonen, 2023) en Milio van der Kamp (Misschien moet je iets lager mikken, 2023). Allebei beschrijven zij hoe pijnlijke situaties ontstonden door schaamte en ongemak over hun eigen positie, met name in het bijzijn van anderen die het beter hebben. Dat zij hun positie eerder aan schrijnende kansenongelijkheid te danken hadden dan aan zichzelf, maakte geen verschil. Zolang maar verondersteld wordt dat de samenleving meritocratisch is, wordt de eigenwaarde van de onderklasse ondermijnd.
In een meritocratie worden mensen zelf verantwoordelijk gehouden voor hun gebrek aan succes en dat had ook implicaties voor klasse-loyaliteit. De welvarende linkse stemmer ging er alles aan doen om het eigen succes, en dat van hun kinderen, te verzekeren. Roxane van Iperen beschrijft in De Groene hoe de gegoede Nederlandse middenklasse met bijlessen en bakfietsen ging investeren in cultureel kapitaal waarmee zij zich permanent konden onderscheiden van de onderklasse. Zo kon voorkomen worden dat zij sociaal zouden vallen en ontstond een maatschappelijke bovenlaag op wie het frame ‘linkse elite’ perfect paste. Van dit frame maakte radicaal-rechts vervolgens dankbaar gebruik om het linkse electoraat uit elkaar te drijven. De hoogopgeleide linkse kiezer werd de personificatie van meritocratische arrogantie en de tegenpool van mensen wier eigenwaarde in het gedrang was gekomen.
Terwijl links blijft vasthouden aan oude economische herverdelingsretoriek, heeft de wetenschap al decennia veel aandacht voor de sociaal-emotionele kant van ongelijkheid. Bewijs voor de stelling dat meritocratisch gedachtegoed de eigenwaarde van de onderklasse aantast leverde de Canadese Socioloog Michele Lamont in haar The Dignity of Working Men (2002). Aan de hand van honderden interviews met mannelijke arbeiders uit de Verenigde Staten en Frankrijk liet ze zien dat het meritocratische discours van The American Dream een minderwaardigheidscomplex aanjaagt onder Amerikaanse arbeiders. In Frankijk, waar een meritocratische ideologie minder pregnant aanwezig was, hadden arbeiders minder last van een dergelijk complex. Hoe sterker de meritocratische ideologie, hoe meer de waardigheid van de werkende onderklasse wordt ondermijnd.
Doordat een beetje meer loon geen fundamentele oplossing is voor een diep gevoel van minderwaardigheid, had de opkomst van de meritocratie politieke implicaties. In Seeing Others (2023), haar meest recent boek, bespreekt Lamont hoe veel laaggeschoolde vakmensen een bron van trots vonden in de nationale identiteit, toen links geen antwoord had op de sociaal-emotionele gevolgen van een meritocratie. Dat zou volgens Lamont het succes van extreemrechts verklaren. Uiterst rechtse partijen steken hun anti-migratiestandpunten in een nationalistisch jasje – ‘America first’, ‘Vlaams Belang’ en ‘de Nederlander weer op één’ – en die jas biedt bescherming tegen de harde boodschap van een meritocratische maatschappij die mensen met een minder goede sociaaleconomische positie het gevoel geeft dat er op hen wordt neergekeken.
Een gebrek aan eigenwaarde zorgde ervoor dat de rode arbeider steeds vaker rood-wit-blauw werd. De arbeidersklasse was ooit een gemeenschap waar mensen met trots lid van waren. De arbeider was weliswaar niet rijk, maar wel waardig. De opkomst van de meritocratie bracht daar verandering in. Jezelf bekennen tot de arbeidersklasse kwam gelijk te staan aan jezelf bekennen tot de klasse der minderwaardigen. Ook in dat licht is het niet zo gek dat arbeiderspartijen in veel landen geen laaggeschoolde vakmensen meer weten te trekken. De arbeidersgemeenschap sprak niet meer aan en dus gingen mensen die zich ooit met trots arbeider noemden op zoek naar een andere gemeenschap om trots op te zijn. Ze vonden die in wat historicus Benedict Anderson noemt de ‘verbeelde gemeenschap van de natie’.
In een meritocratische context zal links er niet in slagen om de werkende onderlaag terug te winnen met een verhaal over economische ongelijkheid. Mensen moeten zich dan bekennen tot een onderklasse en dat betekent in een meritocratie sociaal-emotionele zelfkastijding. Om weer een brede volkspartij te worden moet links inzetten op een gemeenschapsvorm waar mensen wél bij willen horen. Dat kan door een gemeenschap te vormen op basis van een gedeelde moraal. Een gemeenschap van mensen die – wanneer hun omstandigheden dat toelaten – bereid zijn om hard te werken, naar elkaar omkijken, zo veel mogelijk bijdragen aan maatschappelijke vooruitgang en het collectief belang voor het eigen belang plaatsen. De linkse arbeider wordt dan iemand die zich bekent tot een bepaalde levenshouding – eentje om trots op te zijn – in plaats van een lage status in een meritocratische maatschappij.
Linkse partijen moeten zich dus niet profileren als partijen voor de onderklasse, maar als partijen voor mensen die een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben, solidair zijn, bereid zijn zich in te spannen om zichzelf en de samenleving vooruit te helpen – een beweging voor welwillenden. Als Timmermans en Dijk de minder kapitaalkrachtige kiezer weer aan hun kant willen krijgen, dan moeten ze inzetten op moraalpolitiek. Dat vraagt om een retoriek die levenshouding centraal stelt: ‘Dit kabinet is er niet voor mensen die hard willen werken om vooruit te komen, want het doet niets aan het minimumloon’, ‘dit kabinet is er niet voor mensen die zich elke dag inzetten om de samenleving draaiende te houden, want het bezuinigt op de zorg en het onderwijs’, en ‘het doet niets voor gemeenten als Budel en Ter Apel die zich inzetten voor hulpbehoevende vluchtelingen, want het trekt de spreidingswet in’.
‘Niet het hoofd van de kiezer moet geraakt worden, maar het hart’ concludeerden politiek-ideologen Tim ’s Jongers en Arjan Reurink onlangs in Socialisme en Democratie (2024), nadat ze hadden vastgesteld dat identiteit en emotie een cruciale rol spelen in het stemhokje. De volgende vraag is hoe je dat dan doet. In een meritocratie heeft een focus op moraliteit veel meer potentie om de harten van de werkende onderlaag te raken, dan een traditioneel herverdelingsverhaal dat mensen aanspreekt op hun sociaaleconomische status. Met moraalpolitiek kan links dus weer een brede volksbeweging worden. En om dat doel te bereiken zou zelfs Joop den Uyl zijn politieke idealen anders verpakken.
Floris Burgers is postdoctoraal onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen en lid van het bestuur van de PvdA-Amsterdam. In zijn onderzoek richt hij zich op relaties tussen de inrichting van onderwijs, sociale ongelijkheid en meritocratische ideologie.