Afscheid van de Partij van de Arbeid – een terugblik

Voortkomend uit de sociaaldemocratische onderwijstraditie beschrijft Klaas Swaak zijn tocht met en door de Partij van de Arbeid tot aan het afscheid nu. Een tijdsmonument.


Op iemands vraag hoe je je voorbereidt om een rol te spelen in de wereld, antwoordde Kissinger met de woorden van Winston Churchill: ‘Verdiep je in de geschiedenis, verdiep je in de geschiedenis, verdiep je in de geschiedenis.’ 

Giuliano da Empoli - Het uur van de wolven pag.128 

 Zeker, wie naar zijn hart luistert krijgt altijd wel iets te horen over wat komen gaat. Maar wat weet het hart? Hoogstens een beetje van wat al is gebeurd.

Alessandro Manzoni - De verloofden, hoofdstuk VIII, 
citaat uit Giorgio Bassani Het verhaal van Ferrara 

De samenwerking

Vanaf het moment dat de samenwerking van de PvdA en GL ter sprake kwam verzette er zich iets in mij en pas geleidelijk vormden zich de argumenten die het mogelijk maakten die af te wijzen Laat ik de belangrijkste noemen. Je hoeft geen socioloog te zijn om vast te stellen dat de partijen wat hun achterbannen betreft zich van elkaar onderscheiden en geen bestuurskundige om hun bestuurlijk optreden te zien verschillen noch een jurist om het proces van samenwerking tot fusie als onrechtmatig te beoordelen. Laat ik voorlopig zwijgen over de politieke verschillen.  

Ik ben lang lid van de PvdA - in 2021 kreeg ik de Dreespenning - en daarvoor was ik als zestienjarige lid geworden van de Nieuwe Koers, de toenmalige jongerenorganisatie van de PvdA. Ik ben ook altijd een kritisch lid geweest en daardoor heb ik me vaak alleen gevoeld. Niettemin ben ik raadslid en wethouder geweest en door m’n wethouderschap vooral ben ik politiek geradicaliseerd; er kon te veel niet – ik ben er kritischer door geworden.                                                               

Vrijwel al die jaren was ik lid van de onderwijsvakbeweging, van het Nivon, de VARA (en de VPRO) en liepen verzekeringen via de Centrale (arbeidersverzekeringsmaatschappij) tot die onderging. 

Kritiek

Mijn kritiek werd doorgaans niet op prijs gesteld. Het begon in de Nieuwe Koers waar ik Evert Vermeer, nog maar kort landelijk partijvoorzitter, tijdens een werkbezoek voorlegde de NK als luis in de pels van de partij te beschouwen. Ik kreeg de wind van voren: de taak van de NK was partijkader te vormen. Aan de Nieuwe Koers heb ik ontegenzeggelijk veel te danken. Ik leerde er moties en amendementen te formuleren, hoe procedures te hanteren, kortom bestuurlijk te handelen…                                                                

Mijn lidmaatschap van de partij begon op een ongewone manier. De partijafdeling schreef een openbare vergadering uit waarin met de aanstelling van de Duitse generaal Speidel tot bevelhebber van de NAVO moest worden ingestemd. Speidel was generaal in het Nazi-Duitse leger geweest. Ik werd in de discussie geweerd omdat ik geen lid was – waarop ik me aanmeldde als lid, het woord kreeg en me uitsprak tegen die benoeming. De vergadering ging overigens met de benoeming akkoord. Pas veel later werd me duidelijk dat Duitsland tijdens de Koude Oorlog in het westerse kamp moest worden geïntegreerd. Daarom mocht de vijfde mei niet meer jaarlijks gevierd worden. Waarom werd daarover toen niet gediscussieerd?                                                      

De econoom Sam de Wolff (auteur van het nog altijd lezenswaardige Voor het land van belofte) richtte met een aantal geestverwanten het Sociaaldemocratisch Centrum, het SDC (binnen de partij) op, een werkgemeenschap op marxistische basis – naast de katholieke, protestantse en humanistische werkgemeenschappen – we leven in de hoogtijdagen van de verzuiling! Ik werd lid – maar het SDC vond geen genade in de ogen van het hoofdbestuur. Het werd verboden op straffe van verlies van het partijlidmaatschap.          

In dezelfde jaren speelde De Derde Weg - tussen kapitalisme en communisme – een bescheiden rol in de politieke discussies. Mijn anticommunisme was kennelijk niet solide genoeg me te vrijwaren van kritiek op mijn omgang met leden uit die groep. Ik was een halve 'fellow traveller'.   

Nieuw Links

Halverwege de zestiger jaren kondigden zich grote veranderingen aan. Nieuw Links kwam op, roerde zich en nam de macht in de partij over – lokaal en landelijk. Was dat het einde van het regentendom in de partij waaraan ik me stoorde? De tijd zou het leren. Achteraf gezien kondigde zich een nieuwe elite aan.                       

Ideologisch was Tien over Rood maar een zwak verhaal. De onnozelheid de DDR te erkennen paste overigens bij de uitspraak van een landelijk partijvoorzitter die een linkse dictatuur de voorkeur gaf boven een rechtse en bij de deelname van partijgenoten aan de vereniging Nederland-DDR.                                                                                     

Tot zo ver een relaas van puberale opstandigheid? 

Revolutionair denken en evolutionair handelen

Er waren inmiddels wel twee ontwikkelingen die m’n politieke bewustwording versterkten. Ik was schoolleider geworden, wa andere verantwoordelijkheden met zich meebracht dan ik eerder had. Daarnaast was ik betrokken bij het lokale onderwijsbeleid dat na het aantreden van het Kabinet-Den Uyl vleugels kreeg onder de bevlogen PvdA-wethouder Jacques Wallage. Dat hield in dat ik voor scherpere keuzes werd gesteld dan ooit daarvoor. Als voorzitter van de onderwijswerkgroep van de partijafdeling, in dezelfde functie bij een vormingsinstituut voor werkende jongeren en het gemeentelijke onderwijsadviescentrum kreeg ik te maken met krimp van het openbare scholenbestand en harde bezuinigingen op de adviesdienst. Dan kom je er niet met polariseren – je afzetten tegen een ander. Dan moet je politieke afwegingen maken. Ik politiseerde dus - niet zonder consequenties. Het bracht me in conflict met de polarisatiestrategie van de partij. Toegepast op m’n schoolleiderschap zou ik een aantal collega’s zeker in de gordijnen jagen – zo niet erger, ten nadele van collegiale relaties en de ontwikkelingen in de school. Maar wat betekende die polarisatie in een gemeenteraad als de partij daarin mettertijd niet meer overheerste? Het machtsdenken en de daarmee gepaard gaande arrogantie stootten me af. Ik behoorde tot de gematigden in de termen van Jacques de Kadt die revolutionair denken verbonden aan evolutionair handelen. Het hield de bereidheid in compromissen te sluiten. 

Hoe open de discussie in die jaren ook was en er ruimte kwam voor bijvoorbeeld het feminisme en het milieu in het beleid – en emancipatie, gekoppeld aan de spreiding van kennis, macht en inkomen, geen loos woord was – ik botste met de partij toen het ging om de plaatsing van kruisraketten waarvan ik voorstander was. Met mijn afwijzing van de polarisatie was ik al dissident, of frondeur, in elk geval een nog net getolereerd lid. Ik had me bovendien al niet geliefd gemaakt met m’n opvatting over de oorlog in Vietnam: een ongekende humanitaire catastrofe die ik een noodzakelijke oorlog tegen het communisme vond, dat zich in Azië steeds verder verspreidde. Het was vloeken in de kerk. En op Cuba mocht ik ook niet kritisch zijn… 

Raadslid en wethouder

Twee keer heb ik op de kandidatenlijst voor de gemeenteraadsverkiezingen gestaan, op onverkiesbare plaatsen overigens. Tot er in de zomer van 1985 een opvolgersplaats vrijkwam. Ik weigerde. Toen de uitnodiging daarvoor van de partijleider en de afdelingsvoorzitter daarna kwam, ging ik in op een gesprek. Mijn opvatting over de polarisatiestrategie en de plaatsing van kruisraketten noemde ik als brandstof voor conflicten, waar ik geen zin in had. Ik bleef bij mijn weigering. Er kwam een uitnodiging voor een vervolggesprek waarin tot mijn verrassing m’n bezwaren werden geaccepteerd. Ik kreeg van de partijleiding de garantie dat ik gedekt zou worden – die gestand gedaan werd toen ik eenmaal raadslid was en staande bleef na m’n herverkiezing. Dat ik daarna nog wethouder werd, was eerder een speling van het lot dan ambitie. Zonder het schandaal van een falende gemeentelijke kredietbank, die twee wethouders de kop kostte, was ik nooit op die plek terechtgekomen. Zoals ik al schreef: daar radicaliseerde ik. 

Mijn kritiek richtte zich, zo bleek me in de jaren daarna, op het neoliberalisme, waarvan ik de opmars tijdens de jaren in de gemeenteraad wel voelde maar die ik met de jaren steeds duidelijker leerde herkennen – ook in het optreden van mij als wethouder jaren daarvoor. Als (enig) fractielid had ik jaren eerder tegen de verkoop van het gemeentelijke elektriciteitsbedrijf en vervoersbedrijf gestemd…                    

Het voor mij benauwende was dat ik voor die kritiek geen aansluiting vond bij dat waarmee de partij zich bezighield. Dat was de langzame aftakeling van de verzorgingsstaat, de uitholling van de rechtsstaat en de verloedering van de overheid. Men voelde de noodzaak om het falen van het neoliberale marktdenken teniet te doen niet. De partij onderkende het niet en ging erin mee. Er was geen partijbrede discussie over. Geen wonder: het was een partijelite, waaronder dominante economen, die de weg plaveide voor de verankering van het neoliberalisme in de partij, die uitmondde in wetgeving die de massa van de bevolking nog steeds te kort doet en waardoor ons electoraat is afgekalfd. Het waren ook de economen die nog steeds niet uitgelegd hebben waarom ze de crisis van 2008 niet konden voorspellen – een crisis die opnieuw afgewenteld is op de zwaksten in de samenleving. Ik denk bijvoorbeeld aan een partijgenoot-minister die de Grieken de armoede in joeg en een partijgenote-staatssecretaris die bezuinigde op de sociale werkvoorziening. Over internationale en nationale solidariteit gesproken!  Het opgeven van solidariteit is de prijs van medeplichtigheid en medeverantwoordelijkheid voor de acceptatie van het neoliberalisme.   

Derde weg en Van Waarde

Maar terug naar de negentiger jaren van de vorige eeuw waar in De derde weg - voor de tweede maal in mijn leven een derde weg - tegengas tegen het neoliberalisme werd gegeven, gegeven zou worden maar die een doodlopende weg bleek toen de effecten duidelijk werden: een verdere afslanking van de verzorgingsstaat in de VS, het VK, Duitsland en Nederland - een diepe knieval voor het neoliberalisme. De derde weggers wisten dat de wereld een gokkersparadijs was, maar in plaats van dat paradijs aan te pakken, gingen ze mee gokken en gokten mis! 

Paars was toch een grijze, zo niet zwarte periode voor de sociaaldemocratie. Het verweer was: het had nog erger gekund… . Hierbij past, afgaand op het boek van Naomi Woltring, de kanttekening dat minister Melkert waarschijnlijk de enige minister was die echt onderkende dat het beleid in het neoliberalisme opging maar die ook grotendeels buiten de discussie daarover gehouden werd – hij mocht bijvoorbeeld geen lid worden van de ministeriële commissie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit. Als wethouder heb ik volop geprofiteerd van de door de minister van SZW fors ingezette werk initiatieven en zijn erkenning en aanpak van armoede in Nederland. 

Even leek het erop dat de PvdA zich zou heroriënteren. Het project Van waarde van de Wiardi Beckmanstichting gaf een hoopvolle aanzet maar werd afgeserveerd. Door wie en waarom werd nooit uitgelegd. Dat overkwam ook een rapport over de economische ordening dat nooit ter discussie werd gebracht. De kapitalismekritiek erin ging kennelijk te ver. 

De partij geloofde kortstondig in de sociale vernieuwing en de participatiemaatschappij. Die participatie hield in dat de collectieve voorzieningen wel afgeslankt konden worden omdat de individuele burger mans genoeg was zelf in de oplossing van problemen te kunnen voorzien. Alleen dat effect bleef voor miljoenen burgers uit. De verzorgingsstaat weer een stapje verder ontmanteld. 

Neoliberaal Europa viel bij de kosmopolitisch ingestelde achterban van de partij in de smaak, waarbij de steeds verdergaande overdracht van bevoegdheden van de nationale staat aan Europa en dus de uitholling van de nationale democratie werden geaccepteerd. De glazenwasser in Brunssum, de arbeidsongeschikte stukadoor in Musselkanaal, de dumkesbakker in Birdaard bracht Europa veel minder welvaart dan voorgespiegeld. De voordelen van de globalisering kwamen bij de rijken terecht. En de partij ging mee in een Europa dat sociaal en democratisch tekort schiet. In een Europa dat verre van sociaaldemocratisch is. Geen enkele discussie daarover. Moeten we niet nadenken over een positie als van Denemarken, dat als kleine natiestaat het hoofd boven water houdt?    

Dat hadden we nooit moeten doen – Het was de titel van een onthutsend boek over de PvdA over haar falen als tegenkracht tegen het neoliberalisme. Het leverde het beeld op van een zwalkende partij. Wel of geen rode veren – ideologisch gekakel van een kip zonder kop.  De PvdA reageerde er niet op… 

Toen kwam de pandemie: een testcase voor het kapitalisme dat hopeloos faalde en het failliet van het marktdenken aantoonde. Voor de sociaaldemocratie het moment om op te staan maar het voorbij liet gaan…    

Ledendemocratie tekort

Ook op een andere opdracht schoot de partij te kort. Niet alleen analyse en bezinning bleven achterwege, het was de partijstructuur die daaraan bijdroeg. De partij is zeker al twee decennia geen ledenpartij meer met een duidelijke verenigingsstructuur. De besluitvorming vindt plaats in de top van de partij, aangevuld met spindokters, marketeers en mediadeskundigen. De afdelingen en de gewesten hebben daar nauwelijks invloed op. Ze worden gebruikt als verdedigers en uitvoerders van beleid – niet als input ervoor.  Die invloed is nog eens versmald door de gemeentelijke herindeling waardoor talloze kleine afdelingen ten plattelande opgeheven zijn. Zo fnuik je de inbreng van onderop. Zeker, je mag nu als individu je mening geven en je stem uitbrengen, democratisch nietwaar, maar het is niet parlementair want er gaat geen discussie met anderen aan vooraf waarna vastgesteld wordt wat de beste inbreng is – zoals eertijds op ledenvergaderingen werd besloten. 

Het linkse antwoord?

Om te eindigen met het proces waarin de partij en GroenLinks verzeild zijn geraakt. Eerdere besluitvorming werd opzijgezet. De wens om weer te gaan meeregeren won het van het nadenken waarvoor de partij staat: wat voor samenleving wil ze. Ze stelt zich niet de vraag hoe de verhouding tussen kapitaal en arbeid en de rol van de staat nu is. Een halve eeuw geleden kenden we het Rijnlandse model: een vorm van sociaal kapitalisme. Het maakte emancipatie mogelijk. Het neoliberalisme en het perverse anarchokapitalisme, dat streeft naar kapitalisme zonder democratie, zijn de vijanden nu – geen tegenstanders maar vijanden van de sociaaldemocratie. Zij zijn op weg elke tegenstand uit de weg te ruimen. Links heeft een antwoord te vinden op de autocratieën van rechts door de verhouding tussen kapitaal en arbeid en de democratische rechtsstaat te herdefiniëren. En om verdergaande emancipatie mogelijk te maken.    

Het is mij volstrekt onduidelijk hoe GL zich daartoe verhoudt. GL raakte – zij het later dan de PvdA – in de fuik van het neoliberalisme. De afwezigheid in de regering speelde daarin mee. Ik vraag me af welke tegenkracht de nieuwe partij kan bieden. Wat betekent het sociaaldemocratische kernbegrip herverdeling - in de brede betekenis: niet alleen van kennis, inkomen en macht, maar ook van energie, lucht, water, cultuur en natuur - in een nieuwe partij die zich ecosocialistisch noemt? En dat in een maatschappij die nieuwe klassentegenstellingen kent op basis van verschillen in intelligentie? Intelligentie wordt onderscheidend en overheerst andere talenten. Willen we een meritocratie die, in combinatie met het anarcholiberalisme, leidt tot een survival and salvation of the  bright and the rich? Willen we dat nature nurture overheerst? Waardoor verschillen tussen mensen alleen maar groter worden? Het zijn vragen die voorafgaande aan de fusie beantwoord hadden moeten worden. Te meer daar rechts – in welke vorm dan ook: van liberaal tot neoliberaal en anarcholiberaal – mordicus tegen herverdeling is en bereid en in staat is met de democratische rechtsstaat af te rekenen. Het superioriteitsdenken daarachter, dat individuen en groepen uitsluit, staat haaks op de sociaaldemocratie die verbinding nastreeft.   

Links populisme

Is een partij van hoogopgeleiden ertoe in staat de strijd voor herverdeling en tegen uitsluiting te voeren? Hoogopgeleiden speelden in de sociaaldemocratie altijd een grote rol. Nu zijn zij alles overheersend. Laagopgeleiden vind je in veel mindere mate onder de aanhang van de PvdA. Die stemmen overwegend PVV. De omslag in het electoraat kwam op het moment dat laagopgeleiden bestaanszekerheid verwierven en deel gingen uitmaken van de middenklasse. Driekwart van de bevolking is (nog steeds) tevreden met zijn deel in de welvaart.                                                                         

Hun welbevinden daarentegen wordt veel meer bepaald door culturele factoren; daardoor wordt het zelfrespect aangetast meer dan door inkomensverschillen. De onbeperkte mogelijkheden van de hoogopgeleiden missen de laagopgeleiden. De laatsten houden zich vast aan wat ze hebben; hun culturele omgeving is conservatief. Daar heeft de huidige PvdA door de bank genomen niets mee op. Dat is geen nieuw verschijnsel. Ik herinner me eens bij George Orwell - honderd jaar geleden of daaromtrent opgeschreven - te hebben gelezen dat er een populistisch links ontbrak - en dat was al in een tijd dat de arbeidersklasse nog gebrek leed. Wil de PvdA groot worden en een politieke vuist kunnen maken dan moet de PvdA aan dat conservatisme tegemoetkomen en ook een kleine, begrensde wereld verdedigen. Het gaat volstrekt in tegen de globalisering waarin de hoogopgeleiden in de PvdA meegaan. Europa is te ver weg en komt niet tegemoet aan wat laagopgeleiden sociaal en cultureel ervaren. Van dit linkse populisme moet een verhaal te maken zijn. Democratisering, zeggenschap over eigen leven, leef- en werkomgeving moeten daarbij meer nadruk krijgen. De band met de vakbeweging moet daarvoor aangehaald worden: die heeft meer met de werkvloer van de mbo-ers dan met de directie-etage van de hoogopgeleiden. Een uitbreiding van collectieve voorzieningen - haaks staand op de permanente bezuinigingen van de afgelopen decennia - maakt het mogelijk de cultuurverschillen en die in inkomens en vermogens als bronnen van onvrede voor velen verder te temperen. Het betreft dan onderwijs, sport, cultuur en zorg en welzijn in het bijzonder. Het meritocratische onderwijsstelsel sluit mensen met minder talent uit. Een op de arbeidsmarkt gericht stelsel verwaarloost opvoeding tot persoonlijkheid en vorming tot staatsburger. De toegang tot sport en cultuur is versmald tot een elite en staat minder open voor de massa van de bevolking. Dat geldt ook voor welzijn en zorg. De afname van voorzieningen in de onmiddellijke nabijheid van bewoners is zichtbaar; het verdwijnen van huisartsen, kraamhulp, wijkagenten, jeugdwerkers, bushaltes, postagentschappen, bankloketten en mogelijkheden.om te recreëren koerst af op een kaalslag. Van veel collectieve voorzieningen is de uitvoering in handen van commerciële partijen; de uitwassen daarvan zijn schrijnend in de jeugdzorg en de kinderopvang bijvoorbeeld. Meer collectieve dienstverlening en minder marktwerking houden een nieuwe rol voor de overheden in. 

Van new public management kan geen sprake meer zijn. De markt is het probleem dat crisis naar crisis in de collectieve sector veroorzaakt. En de financiering? Langzaam wordt duidelijk dat die niet meer gedragen kan worden door een krimpend arbeidspotentieel – ook niet bij een toenemend aantal migranten. Er zal een stijgend beslag op de factor kapitaal nodig zijn. Het gaat om meer dan een verhoging van de arbeidsinkomensquote: het gaat om terug te keren naar waar Den Uyl begon: meer welvaart en meer welzijn voor meer mensen.           

De nieuwe partij zal - gezien mijn ervaringen - op de oude voet in de nieuwe doorgaan; ze mist de kennis van en het inzicht in het verleden, de consistentie en de vastberadenheid om een nieuwe visie te ontwikkelen. Ik heb geen idee waar de nieuwe partij op uit wil komen, noch ken ik iemand die dat benoemt. De woordenschat ken ik na zeventig jaar voldoende om daar niet in te tuinen. Geen litanie of gebedsmolentjes meer. Geen liturgie en geen symbolen meer. Ik mis een nieuw verhaal.  

Al verdwijnt de PvdA, leve de sociaaldemocratie zoals ik die voor ogen heb.       

Groningen, 7 juli – 25 november 2025         

The decadent international but individualistic capitalism, in the hands of which we found ourselves after the war, is not a success. It is not intelligent, it is not beautiful, it is not just, it is not virtuous – and it doesn’t deliver the goods. In short, we dislike it, and we are beginning to despise it. 

John Maynard Keynes, Yale Review National Self-Sufficiency, 1933

Vorige
Vorige

Waterverf.

Volgende
Volgende

Eerst ‘brutally honest’, dan relevant